PAKEPRAAT.2021.bokje 

Roel Oostra

Hommo Hof

MANNEN ZING MEE

Loch Ness

PAKEPRAAT.2021.bokje 

De uitvinding van de televisie is toch een ding van belang geweest. Want wie had nu ooit gedacht dat de invloed van die akelige miss Corona (ik vind het net een meisjesnaam) zo groot zou worden dat mensen niet meer bij elkaar mogen komen, dat theaters, stadions, festivals het zonder publiek moeten doen en dat alle mensen het beste thuis kunnen blijven. Dus is het prachtig dat we bijvoorbeeld evenementen als sportwedstrijden waar geen publiek bij mag toch via de TV kunnen meemaken. Zo kwamen ook de Olympische Spelen in Japan de laatste weken uitvoerig in de huiskamer. Ik heb er als bankzitter volop van genoten maar ja, aan alles komt een eind. Zo ook de Spelen op 8 augustus en toen kreeg ik weer tijd deze column te schrijven.

Nee, een echte sportman ben ik nooit geweest maar dat doet niets af aan het feit dat ik in mijn jongensjaren toch het idee had dat ik best wielrenner zou kunnen worden. Ik heb het nu over de dertiger jaren van de vorige eeuw  en de kranten stonden toen vaak vol met de successen van Pijnenburg en Wals.  Twee wielrenners die alles wonnen wat er maar te winnen was en die zodoende de idolen in mijn jongensjaren waren. Ik was toen 11 á 13 jaar. Maar als je wielrenner wilde worden moest je natuurlijk wel een racefiets hebben en in die crisistijd was het heus niet zo dat je met je vader naar een rijwielhandelaar stapte om even een racefiets te kopen. Nu had ik wel een fiets en dat was ‘ús bokje’. In ons gezin een legendarisch rijwiel. Een oerdegelijke damesfiets van Duits fabricaat zonder toeters of bellen. Een doortrapper, zo heette toen een fiets zonder terugtraprem, je moest remmen met de trappers. Volgens de familiehistorie  had mijn oudste zuster Anna deze fiets op haar twaalfde verjaardag gekregen, daarna heeft zuster Berber er het fietsen op geleerd, toen onze Klaske, maar daarna kwam  Bokje in het schuurtje terecht waar het droogrek, ‘Heit syn timmerspullen en túnark’ en ‘dingen dy’t men noch wol ris brûke kin’  hun plek hadden. Want ik kwam ruim zeven jaar achter ús Klas aan, dus Bokje moest  op mij wachten. Toen het mijn tijd was heb ik er het fietsen op geleerd. Men leerde dat toen nog .

Hoe dat tegenwoordig gaat is mij een raadsel want ik zie geregeld hier in de straat een heel klein knuppeltje van een jaar of twee op zijn fietsje over het trottoir racen.

Ik weet trouwens nog best dat ik niet zo gelukkig was met Bokje. Want dat was een meisjesfiets en echte jongens hadden een herenfiets, een fiets met een stang. Hoe kon je nu met je vriendjes Pijnenburg en Wals spelen op een damesfiets, dat sloeg toch nergens op. .Een nieuwe fiets kopen en dan liefst een racemodel zat er totaal niet in.

Maar na veel zeuren kreeg ik Heit zover dat hij een houten bezemsteel op maat zaagde en die als stang aan het damesframe monteerde. Een kwast zwarte lak maakte het af en ziedaar : een herenfiets. Toen met Heit naar een bevriende relatie die de kunst verstond om een fietsstuur zo te ‘verbouwen’ dat het wel wat op een racestuur leek en ziedaar : een racefiets !
Ik weet het niet meer maar ik denk dat ik toen het gelukkigste jongetje ter wereld was.

En wat hebben we in die tijd met een zestal jongens wat ‘afgereest’. Vanuit Wolvega waar wij toen woonden hadden we met onze fietsclub een paar rondes bedacht die we dan ‘op tijd’ reden. Gerrit, zoon van horlogemaker de Jong in de Hoofdstraat, had namelijk een horloge en zo hadden we dan de luxe om de rondetijden te noteren. Tegenwoordig heeft bijna iedere jongen een horloge of anders wel een telefoontje met ontelbare mogelijkheden waaronder zeker  een chronometer. Dat moest  toen nog uitgevonden worden. Ja, het was een mooie tijd daar in Wolvega maar een loopbaan in de wielersport zat er toch niet in. Want ik ben, zo ik in het begin van deze column al schreef, nooit een praktiserende sportman geweest maar heb het voor de TV als Bankzittendesportkijker wel ver gebracht.

 

Roel Oostra

r.oostra@chello.nl